De pijnboomeilanden van Marion Poschmann

De roman De pijnboomeilanden van de Duitse schrijfster Marion Poschmann (1969) stond op de shortlist van de Deutscher Buchpreis 2017. Het is een ragfijn gecomponeerd boek over waarheidsvinding, over zingeving in een leven dat al grotendeels is afgelegd, of toch in ieder geval voor meer dan de helft. Gelukkig geen gratuit gefilosofeer over een midlifecrisis, maar een mooi onderhuids gehouden verhaal, stilistisch lichtvoetig, met de subtiele kracht van de haiku. Niet verwonderlijk aangezien Poschmann optimaal gebruikmaakt van het decor. Al na twee bladzijden bevindt hoofdpersoon Gilbert Silvester zich in Japan. Poschmann laat het contrast van de snelle moderne Japanse samenleving en de natuur van de eilanden adequaat voor zich werken. De natureingänge zijn poëtisch, feeëriek. De (inter)menselijke problematiek heel basaal, heel aards. In die zin is eigenlijk deze hele roman in de geest van de haiku geschreven. Nauwkeurige waarneming, transitie en verwondering.

Gilbert Silvester is een universitair docent. Geen professor, nee dat beslist niet. Voor een vaste aanstelling ontbreken hem de juiste contacten, de juiste houding ook. Hij is wars van hielenlikkerij en ellebogenwerk. Zijn vakgebied is marginaal. Hij is deskundige op het gebied van baarddrachten, peurt een vast inkomen uit een onderzoeksproject naar het effect van uitbeelden van baarden in films. Dat alles gesponsord door de Noordrijn-Westfaalse filmindustrie, de joods gemeenschap van Keulen en voor een gering gedeelte door een feministische organisatie in Düsseldorf. Het ene moment kan hij zich niet ontdoen van het absurde element van zijn opdracht, het andere moment kan hij toch geestdriftig raken doordat hij zich op het detail weet te focussen, zich verdiept in beelden van Italiaanse meesters, mozaïeken en middeleeuwse boekillustraties.

Gilbert heeft zich een tijdlang weten te verzetten tegen de hiërarchie in de wereld. Het vergeefse gevecht tegen de bierkaai, dat, hardnekkig tot aan het levenseinde volgehouden, leidt tot een ‘veroordeling’ tot excentriciteit. ‘Hij was altijd een zonderling.’ Maar daarvoor is Gilbert niet sterk genoeg, niet consequent genoeg. Misschien ook niet intelligent, niet amusant genoeg. Het blijft bij het schrijven met een vulpen in schriftjes. Het gebruik van een oude juchtleren tas. Een colbertje, een dasje. ‘De eigenheden die nu nog slechts een uitdrukking van zijn nederlaag zijn.’ In dat besef – tenminste iets, zou je kunnen zeggen – schuilt misschien ook de basis voor zijn instant vlucht, voor het idee niet goed genoeg te zijn voor zijn vrouw Mathilda. Hij heeft gedroomd dat ze vreemdgaat. Een droom waarvan hij zich gedurende de dag niet heeft kunnen losmaken. Hij neemt plotsklaps een vlucht naar Tokio. Naar het land van de thee. Het begin van de transitie. Gilbert is een verstokte koffiedrinker. ‘In koffielanden lagen de dingen aan de oppervlakte. In theelanden speelde alles zich af onder een sluier van mystiek.’ Als een echte westerling zoekt hij allereerst een rechtvaardiging voor zijn abrupte vertrek. Op deze manier geeft hij Mathilda ruim baan voor haar escapade, voor haar ‘ontplooiing’. Hoe edelmoedig. Bovendien is het hem zo goed als onbekende Japan een mooi nieuw onderzoeksterrein. Een farce. Boerenbedrog uiteraard.

Zijn reis heeft eerder koppigheid als basis. Hij heeft behoefte aan onafhankelijkheid, het creëren van een waarachtige eigen ruimte. Het is een gotspe dat hij dat zoekt in een overgereguleerd land, zichzelf daar wil ‘ontregelen’. Het land van de rijzende zon en de gladde kaken. Aldaar aangekomen raakt Gilbert in contact met een virtuele reisgids. Het werk van de grote haiku-meester Matsuo Basho. Een middeleeuwse monnik die een voettocht maakte naar de pijnboomeilanden, Matsushima in het ruige noorden, tijdens welke reis hij veel memorabele verzen schreef. In eerste instantie is Gilbert nog cynisch. Over Japan wist hij weinig, alleen dat in de tijden van de samoerai in ongunst geraakte intellectuelen naar verre eilanden werden verbannen of werden gedwongen om seppuku te plegen, zelfdoding middels een dolksteek in de darmen. Het cynisme van Gilbert verandert gedurende de tocht toch langzaam in oprechte verwondering.

Op het perron van Tokio, de allereerste halte op de reis naar de pijnboomeilanden ‘onderschept’ Gilbert ene Yosa met de veelbetekenende achternaam Tamagotchi. Omdat hij bang is niet voor zijn examens petrochemie te slagen, wilde deze student zich voor de trein werpen. Gilbert overtuigt hem ervan, deels met handen en voeten - Yosa spreekt slechts gebroken Engels - dat er betere plekken moeten zijn. Yosa, gewend bevelen op te volgen van een ouder iemand, van een autoriteit, buigt diep voor hem en wordt zijn reisgezel. Een blok aan zijn been, een ‘huisdier’. Gilbert vindt hem aanvankelijk irritant, geen groot licht, maar hij raakt gewend aan hem, trekt zich zijn gesteldheid steeds meer aan. Een onzeker wezen dat één ding zeker wist, dat hij een onzeker wezen zal blijven. Met de nodige zelfspot merkt Gilbert op dat Yosa juist daarom goed bij hem past. Net als zijn studenten thuis in hem het grote voorbeeld zien van mister onzekerheid zelve. Poschmann heeft in de gehele roman een fijne onderliggende humor verweven.

Gilbert en zijn zijspan doen verschillende mogelijke suïcideplekken aan. Maar het komt er niet van, steeds is er iets wat niet helemaal past, en als het in de ogen van Gilbert ineens wel een geschikte plek is – uiteraard naar zijn westers gekleurde opinie – doet hij er het zwijgen toe. Je krijgt na verloop van tijd het idee dat Yosa weleens denkbeeldig zou kunnen zijn, dat het een demon is waartegen Gilbert zelf strijdt. En hoe vindt Gilbert tenslotte Matsushima? Als een vergeelde, sterk tegenvallende attractie waar alle fernweh ervoor heeft gezorgd dat het ongeloofwaardig is geworden. Te hoge verwachtingen waaraan geen enkel doel kan voldoen. Tja, het gaat bij escapisme toch eigenlijk altijd voornamelijk om de reis. Een project van afzondering, van reflectie. Uiteindelijk trekt Gilbert een hoopvolle conclusie. Hij weet dat hij geen ontwikkelingsreis in Europese stijl heeft gemaakt, zo eentje waarover je achteraf kunt opscheppen, maar eerder een die niet helemaal te verklaren valt, een innerlijke tocht die met tederheid en met geheimzinnigheid is omgeven. Gilbert geeft uiteindelijk zijn reserve ten opzichte van het leven op. Een mooi slot van deze fijn ingetogen roman.