De wonderbaarlijke geschiedenis van Peter Schlemihl van Adelbert von Chamisso

Michael Martin Driessen vertaalde het standaardwerk van de romantisch dichter en natuurwetenschapper Adelbert von Chamisso (1781 – 1838) in het Nederlands als De wonderbaarlijke geschiedenis van Peter Schlemihl. Klassiekers ontstaan vaak terloops. Een briljant idee dat in een mum van tijd wordt uitgewerkt. Peter Schlemihls wundersame Geschichte is een parabel die door Von Chamisso in de zomer van 1813 werd bedacht tijdens een wandeling met een collega-uitgewekene uit revolutionair Frankrijk, alwaar hij geboren was als vierde zoon van graaf Louis Marie de Chamissot de Boncourt in de Champagne. Via de Nederlanden was zijn verarmde familie in Berlijn terechtgekomen, waar de oudere broers de kost gingen verdienen als huisleraar en Adelbert als Ludwig von Chamisso in het Pruisische leger diende.

Tegelijkertijd vertaalde hij oud-Franse lyriek en schreef mondjesmaat gedichten met het strakke rijmschema en jambisch metrum van de negentiende eeuw. Vanaf 1815 weidde hij zich aan de natuurvorsing, antropologie en cartografie. Hij maakte verschillende wereldreizen en schreef daar bevlogen over. (Hij ontdekte bijvoorbeeld het naar hem vernoemde Chamisso-eiland in Alaska. Het woord ‘parka’, als zijnde een Eskimo-jas, verschijnt voor het eerst in het Duits in zijn reisverslag.) Uit zijn werk blijkt een zeker voor die tijd verfrissende vooroordeelloosheid, humanisme en sociaal engagement. Aan sprookjes waagde hij zich verstandig genoeg niet meer. Je moet jezelf niet gaan beconcurreren.

Von Chamisso schreef zijn belangwekkendste literaire werk in het Duits. Snel, impulsief, bedoeld als verpozing voor de kinderen van de gastheer, schrijver en uitgever Julius Eduard Hitzig. Moe van alle aandacht na het instant-succes in binnen- en buitenland heeft hij diverse verklaringen gegeven voor de aard, voor de achterliggende gedachte bij het verhaal van Schlemihl. Het navolgende lijkt het meest plausibel. Von Chamisso kon als geboren Fransman niet meedoen met de bevrijdingsoorlog tegen Napoleon Bonaparte die allereerst door Engeland, Pruisen en Rusland werden geleid. ‘Ik had geen vaderland meer, nog geen vaderland. De gebeurtenissen verscheurden mij regelmatig en om mijzelf af te leiden en de kinderen van mijn gastheer tegelijkertijd te verstrooien schreef ik Peters verhaal.’

Een verhaal dat duidelijk ook het zijne is. De mens die in een niemandsland terecht komt, die tussen twee werelden leeft, maar die de vermenging van talen gebruikt om zichzelf een plek te geven. Duits met sterke Franse invloeden, waardoor een ‘nieuw’ idioom ontstaat. Een opvallende helder idioom dat ook in de vertaling overeind is gebleven. (Waarvoor de uitgave van Reclam is geraadpleegd.)

Na een langdurige zeereis gaat Peter Schlemihl op bezoek bij de rijke koopman Thomas John. In afwachting van een antwoord op een brief die Peter aan hem geeft, wordt er in groepjes gewandeld in de tuin. Peter hoort er niet bij. Men neemt hem hoogstens waar vanuit een ooghoek, als een schaduw. Er is wel een wonderlijk heerschap in een grauw kostuum. Deze biedt hem een oneindige geldbuidel met goud in ruil voor de mooie schaduw die Peter werpt. Al snel blijkt dat dit betekent dat Peter het contact met de mensheid verliest, bang als men is voor een man zonder schaduw. Hij reist met zijn getrouwen naar een kuuroord in de bergen. Hij wordt verliefd op de mooie Mina, maar zijn tweede dienaar, Rascal, nomen est omen, verraadt het geheim. Haar vader staat alleen een huwelijk toe wanneer hij zijn schaduw terug heeft. Opnieuw vindt er een ontmoeting plaats met de grauwe heer, niemand anders dan de duivel. Hij kan zijn schaduw alleen terugkrijgen, wanneer hij daarvoor in ruil zijn ziel afstaat. Peter doet een poging te vluchten, maar ontkomt niet aan satan. Hij krijgt eventjes zijn schaduw te leen, maar laat zich niet vermurwen. De geldbuidel werpt hij in een ravijn. Van zijn laatste centen koopt hij een paar laarzen. En laten dat nu net zevenmijlslaarzen zijn, waarmee Peter tot het einde van zijn dagen de wereld navorst.

De zevenmijlslaarzen zijn ontleend aan La Belle au bois dormant uit de sprookjesverzameling van de zeventiende-eeuwse Franse schrijver Charles Perrault, waaruit de gebroeders Grimm rijkelijk hebben geput, niet alleen voor Doornroosje. Goethe, Heine en contemporaine auteurs hergebruikten de laarzen, net zoals de met Von Chamisso bevriende E.T.A. Hoffmann het lot van Peter verduidelijkt door hem op te voeren als bijfiguur in Het verhaal van het verloren spiegelbeeld. Er zijn voorbeelden te over van het overnemen en parafraseren van het thema. Opera’s van Jaques Offenbach en August Brunetti-Pisano. Schrijvers laten Peter thuiskomen of gebruiken zijn niemandsland om hun eigen ontheemding te verduidelijken. Hans Christian Andersen verwerkte het thema in 1847 in het verhaal De schaduw.

De expressionistische schilder Ernst Ludwig Kirchner maakte in 1915 een zevendelige cyclus om zijn eigen vertwijfeling te schetsen. In zijn ogen is het verhaal van Peter Schlemihl het relaas van een vervolgingswaanzinnige die zich plots bewust is van de kleinheid van de mens. De zionist Kurt Yehuda Blumenfeld schrijft kort na de Tweede Wereldoorlog in zijn herinneringen over de rol die Peter bij vele zionisten, waaronder ook Hannah Arendt, heeft gespeeld. Peter als joodse held, die zijn schaduw en daarmee zijn wezen heeft verloren. Het terugvinden van de schaduw, als het toevoegen van het verleden aan het heden. De Duitse schrijver, dichter en kinderboekenschrijver James Krüss schreef in 1962 een roman, met duidelijk verwijzing naar Von Chamisso’s origineel, maar hier werd het lachen verkocht.

Von Chamisso had waarschijnlijk niet kunnen bevroeden dat zijn werk zoveel navolging zou vinden, zelfs nog in de prachtige roman Pfaueninsel uit 2014 van Thomas Hettche over het sloteiland van de Pruisische koningen. (En dat de acteur George Götz, ‘commissaris Horst Schimanski’, hem nog eens zou spelen in de verfilming uit 1967.) Maar het sprookje is nu eenmaal de sterkste literaire vorm en ‘schlemielen’ zijn van alle tijden. Het raakt aan een wezenlijk thema, de zoektocht naar de ware identiteit. Ja, op die wijze is dit ooit als verpozing en verstrooiing geschreven werk, de voorloper van veel klassiekers uit de wereldcanon. De kever Gregor Samsa bij Kafka, Ulrich in de trilogie De man zonder eigenschappen van Robert Musil. De Russische klassiekers, het macabere werk van Edgar Allan Poe. En al in de eerste bladzijden van dit aanstekelijke werk zorgt de koopman Thomas John voor een Beckettiaanse dialoog.

De wonderbaarlijke geschiedenis van Peter Schlemihl is fris geschreven, geeft een goed tijdsbeeld, is lekker onderhuids maatschappijkritisch. Peter is een schrijver die wel de details ziet, ze in elk geval verwerkt. De personen in de tuin kijken niet verder dan hun geheven neuzen, vinden het dus niet vreemd dat de oude grijsaard een enorme verrekijker, een Perzisch tapijt en een tent vanonder zijn jas haalt. Hij is onaanzienlijk, symbolisch met de rug zo gekromd dat het hoofd bijna de grond raakt, Het is de geslepen onderdanigheid, de Švejkiaanse gewiekste argeloosheid, al is het hier het verbergen van de duivelse insteek. Ook Peter voelt zich in het gezelschap niet op z’n plek en het is dus niet verwonderlijk dat hij op het voorstel van de enige persoon die daadwerkelijk met hem praat ingaat.

Een geweldige parabel, over verloochening, uitgeslotenheid, eenzaamheid, onzekerheid over de identiteit, twijfel, miskenning door een zekere uniciteit, zoals Von Chamisso zeker bezat. Een interessante wereldreiziger met vooruitstrevende denkbeelden. Wellicht is daarom de tekst nog zo actueel, zo universeel. Maar daarnaast verhaalt het ook over standvastigheid, over vluchtgedrag. Bovenal is het een feest om te lezen, een pakkend werk vol fijne verbeelding dat het verdient om als ‘grondlegger’ van zoveel wereldliteratuur op de eigen merites gelezen te worden. Je kiest onvoorwaardelijk partij voor de schlemiel. Laten we ons minder druk maken over de slagschaduwen, over de prestaties, maar kijken naar de mens, met het gezicht vol in de levenszon.

Je moet het met de vertaler eens zijn dat het ontroert, al voegt hij een persoonlijk sprookjeselement toe door het nawoord te eindigen met de zin: ‘Ik heb in de afgelopen tweehonderd jaar niets ontroerenders gelezen.’ Een moment kun je meegaan in de gedachte dat Driessen ook iets uit de zak van de oude grijsaard heeft verkregen, een bijzonder levenselixer bijvoorbeeld. In de epiloog is een gedicht van Von Chamisso opgenomen waarin hij nog eenmaal, zoals gebruikelijk in die dagen, de lof zingt over zijn personage.

En ach – wat is een schaduw, mag men vragen – / De vraag die mij zo dikwijls werd gesteld – / Dat hij zo hoog wordt aangeslagen, / Ja, in de wereld als onmisbaar geldt? / Dat is na twintigduizend levensdagen / Een thema dat ons niet langer kwelt. / Wij zien, waar schimmen ons ooit wezens leken, / Geliefde wezens nu tot schimmen verbleken.