Zevenduizend eiken van Sara Baume

Frankie, de hoofdpersoon in Zevenduizend eiken, de tweede roman van de Ierse schrijfster Sara Baume (1984), is een jonge kunstenares die het leven in de stad niet aankan. Haar visie wijkt te veel af van de standaard, ze ontvangt te veel prikkels, kan ze – nog niet – verwerken in haar kunst. Haar bliksemafleider hapert zogezegd. Misschien ook wel omdat ze de kunstacademie heeft gevolgd (net als de schrijfster) en de ambitie heeft om grootse werken te verrichten. Ze wil er beslist uitspringen. Ergens weet ze dat ze op dat moment vooral een would-be is, is de angst uiteindelijk middelmatig te zijn nog niet overwonnen.

Ze pakt haar schamele spulletjes bij elkaar en trekt zich terug in de bungalow van haar overleden oma op het platteland. De veilige haven van de eenzaamheid. Ze leest wat, luistert naar de radio, is zonder het helemaal te beseffen eigenlijk zelf een conceptueel kunstwerk. De interactie met mensen houdt ze tot het uiterste beperkt. De weinige contacten weet ze daardoor tot op het bot te analyseren. Ze is niet helemaal losgezongen van de wereld. Ze heeft een auto – ook een soort cocon natuurlijk – waarmee ze af en toe rondrijdt. Daarnaast fietst ze op het oude rijwiel van oma. Ze heeft een camera waarmee ze roadkills vastlegt. (Jammer dat de zwart-wit foto’s in de vertaling ontbreken.) ‘De eeuwige cyclus van leven en dood.’ Wat op die jonge leeftijd wel iets vrijblijvends heeft, zoals de doodswens van Frankie zelf vooral iets abstracts is, een fantasie, een dagdroom. Maar Frankie is oprecht in haar ‘overlevingspoging’.

(Een voorproefje van het interview: Baume zelf wilde na de dood van haar oma de bijzondere band met haar vastleggen. Als kleinkind heb je nu eenmaal na de dood van een grootouder ‘minder’ te zeggen. Het zijn de naaste broers en zusters van de overledene en hoogstens de kinderen die aanspraak kunnen maken. Na het schrijven van deze roman, overleed Baume’s vader, hetgeen ervoor zorgde dat de tekst voor de schrijfster in een ander licht kwam te staan. Het visionaire karakter van de scheppende mens. Het constant opnieuw bepalen van de verhouding tot een creatief werk. Daar leent zich deze roman uitstekend voor. Het facetachtige aspect laat het geheel gemakkelijk herindelen.)

Baume schrijft het allemaal op in een los-vaste vorm, die de ontheemdheid duidelijk weergeeft. De cirkelende observaties en gedachten worden door mantra-achtige kunstreflecties bijeengehouden. Frankie overhoort zichzelf, test haar eigen gezichtspunt aan de hand van visies van kunstenaars. Het is het implementeren van opgedane kennis, het naar je eigen hand zetten daarvan. Het niet klakkeloos aannemen van ‘waarheden’, maar er de bezieling uithalen, ze naar je toe laten kantelen. Een teken van groei, van volwassen omgang met de wereld. De roman wordt er aards door. De zintuigen van Frankie zijn constant in de overdrive, maar nergens krijg je het gevoel dat het van-de-hak-op-de-tak-werk is. Het is eerder homogeen, zoals je langzaam van losse sneeuw een bal kan rollen voor een sneeuwpop. Onderweg neem je takjes, oude bladeren en van alles en nog wat mee, ja, ook modder en hondenpis.

Baume is niet bang om de diepste, donkerste krochten (van haar personage) op te zoeken. Maar blijft daarbij opmerkelijk helder. Frankie verliest langzaam het vertrouwen in de mogelijkheid van troost. Ze heeft te lang theater gespeeld ten opzichte van de buitenwereld. Is een veel te eerlijk persoon. Niet voor niets merkt ze op dat de taal meer poëtisch wordt naarmate de omstandigheden moeilijker worden. Ze is een observator, eigenlijk een schrijfster, die details ziet die de gemiddelde mens ontgaan, of misschien niet ontgaan, maar niet raken, niet zorgen voor een noodzaak tot reactie op een creatieve wijze.

Eigenlijk is de hoofdpersoon van dit boek de pragmatische moeder. Op een bepaalde manier – door haar verschoven manier van kijken naar de wereld – is zij de grote kunstenaar. Gewoon door te leven, door voor Frankie altijd een medicijn te zijn. Frankie beseft het nog niet ten volle, maar voelt het wel ergens aan. Ze heeft nog tijd te over. En bovendien is het geen must om je aan die vreemde maatschappelijke verplichting te houden, die voorschrijft dat je ‘werkelijk alles uit het leven moet halen’. De observaties als kind die Baume/ Frankie aanhaalt – bijvoorbeeld dat ze vroeger altijd dacht dat iedereen op het platteland opgroeide en pas na een jaar of achttien besluit om al dan niet in de stad te gaan wonen – zijn eerlijk, onomwonden. De verbeelding die redt. We leven nu in een tijdperk waar elk willekeurig beeld met fotoshop te realiseren is. Saai eigenlijk. In kleine indrukken, voorwerpen en in getuigen van rituelen vindt Frankie haar oma terug. De eenzaamheid, de bekende omgeving kan haar helpen. Totdat ze ook daar de scheuren, de vlekken, het verval ziet. Maar juist die observatie, die bewustwording zorgt voor een zeker herstel.

Frankie is jong, heeft nog een heel leven voor zich. Daar kan ze dankbaarheid, gerustheid uit putten, maar die wordt overschaduwd door angst voor ziekte, voor het ongeluk. En die angst wordt op z’n beurt weer gesmoord door walging over de egocentristische denkwijze. We zitten nu eenmaal vast aan die weegschaal van emoties, die elk moment naar welke zijde dan ook kan doorslaan. Voor het creatieve proces is twijfel gezond. Het levert mooi gelaagde, levensechte personages op. Zevenduizend eiken is een intelligente, warme roman – rijk aan ‘structuur’ voor Frankie én voor de lezer – , die met ogenschijnlijk minieme middelen, maximaal effect levert. ‘Ik denk dat ik minder bang ben om alleen te zijn dan om niet alleen te kúnnen zijn.’ Je gunt eenieder een dergelijk doorleefd plekje als de bungalow van Frankie’s oma, om de snelheid uit het leven te halen.