De bloemen van Jan Siebelink

Een schrijver kan zijn eigen oeuvre altijd weer op een andere manier aanvliegen. Hij of zij is nooit klaar, verlaat alleen voor de drukgang de tekst. Bij een heruitgave kun je zaken aanpassen (zoals Hermans steeds deed) of berusten in de momentopname (zoals Mulisch). Voor beide benaderingen valt iets te zeggen. In het eerste geval pas je de tekst aan je herziene opvattingen, de tweede gedachte houdt in dat je tevens niet wil terugkeren naar de persoon die je ten tijde van het schrijven was. Het is de basis van de literatuur, de eeuwige twijfel die creativiteit voedt en tegelijk de afronding van een product ondermijnt. Maar uit een dergelijk paradox kan ook iets moois opbloeien.

Op 13 februari is Jan Siebelink tachtig jaar oud. De schrijver van pakweg veertig titels, met als bekendste ruiterstuk de megaseller Knielen op een bed violen, hoeft aan een dergelijk jubileum natuurlijk geen aandacht te besteden. Een uitgeverij is het eigenlijk wel aan de stand verplicht. Om het maar even plomp te zeggen: er is dankzij deze schrijver aardig wat in de kassa gevloeid. De bloemen van Jan Siebelink is een origineel ‘herbarium’, een overzicht van de stille getuigen in het oeuvre van de schrijver. Dit boek haalt ze uit de figurantenrol. De afbeeldingen van de bloemen en planten, van aalbessenstruik tot en met zwaardlelie, zijn haast negentiende-eeuws omfloerst, afgedrukt op een passende perkamentachtige kleur beige papier. Bij deze verstilde schetsen zijn fragmenten geplaatst uit de romans, voor de gelegenheid her en der door Siebelink aangepast.

Het is een mooi geschenk aan de schrijver én aan de lezer. Het is een goede zaak wanneer een oeuvre op deze wijze wordt gesublimeerd. Het brengt het beste naar boven. Siebelink is bij de samenstelling uitgegaan van de namen van de kwekelingen zoals hij ze uit de mond van zijn vader hoorde op het bedrijf en zoals ze, vaak afgekort, in diens bestelboekje stonden. Dat heeft gelijk een ontroerend effect, personaliseert het zonder op het valse sentiment te spelen. De planten vertellen een eigen verhaal, over de kwekerij, over de intermenselijke verhoudingen, over de schrijver. Ze verbinden op een haast mystieke wijze de verre neven die boeken van dezelfde schrijver nu eenmaal zijn.

Dat is de meerwaarde van dit ‘jubileumboek’. Het is geen droge opsomming van planten die een rol hebben gespeeld in het leven en het werk van de kwekerijschrijver. Het is een verklaring, een levensstatement en in dat kader, hoe vreemd het ook moge klinken, misschien wel het beste wat er ooit van de hand van de tachtigjarige is verschenen. Het is het doordringen tot de kern. De inleiding is aangenaam kort, puntig. De eerste herinnering van de bijna vier jaar oude Jantje, het trekken van een bed voor een primula veris met een vliegertouw, wordt achteraf mooi ingekleurd met ‘het schrap zetten’, ‘de oude voorover hellende zuidmuur waartegen perziken en morellen groeien’ en de vader die ‘over de pas omgespitte, glad geharkte aarde loopt’. Een Duitse patrouille nadert – het is eind 1941 – die van zijn vader, zo begrijpt Jan pas veel later, de kassen vordert voor voedselproductie. Ter ondersteuning heeft Siebelink een foto uit 1942 van de kassen waarin bonen, uien en wortels groeien in plaats van petunia’s of rode hanggeraniums.

Siebelink neemt in deze uitgave de tijd voor het (veelzeggende) detail. ‘Schrijven is allereerst terugvinden.’ De planten als wegwijzers in een tekst. ‘Elke ware realistische schrijver is een symbolist.’ De leek leert al lezend en kijkend over het verspeenrietje, over de verschillende methodes van opkweken. Wat een tijdrovend en arbeidsintensief werk! Na twee jaar zijn bijvoorbeeld de kiemen van varens pas uitgegroeid tot fragiele plantjes van tien centimeter. In 1961 brachten die vijfentwintig cent per stuk op, aldus een aangehaald notaboekje. Dat in de tijd plaatsen is sterk. De herinnering aan een mislukte prijskeuring bij de verjaardag van koningin Wilhelmina eind augustus. De durf van de vader om bruisboeketten te maken, verboden in de geloofsgemeenschap waartoe de vader behoorde. Het spel met de tinten waarin de vader volledig zichzelf was. ‘Niemands meester, niemands knecht.’

Siebelink ontrukt bloemen die niet meer in de mode zijn uit de vergetelheid, verbindt er dwingende herinneringen aan. De chrysant die Siebelink aanzette stappen te nemen in de literatuur. Het verhaal Witte chrysanten uit 1974 waarin reeds de machteloosheid en de religieuze berusting uit opklinken die een kwart eeuw later Knielen op een bed violen zou schragen. En waar zat de jonge Siebelink te studeren? Tussen de ereprijs, een bloem met een bijzondere kleur blauw, die zelfs na droging bewaard blijft.

De tekst, de vorm, de roman dicteert de schrijver. Een lezeres verklaarde Siebelink waarom hij de broeders in het geloof die zijn vader geestelijke lectuur kwamen aansmeren in zijn megaseller heeft gesitueerd bij de hulst, alwaar ze opmerkingen maken over het feit dat een onooglijk bloempje zulke trossen dieprode bessen produceert. ‘De hulst met zijn doornen staat voor de doornenkroon, de bessen voor de stigmata van de kruisdood en het onaanzienlijke bloempje is de nietswaardige, zondige mens.’ Juist. Waar zou de schrijver zijn zonder de vele interpretatoren. (Het beste antwoord op de vraag wat de symboolfunctie was van de ezel in een roman van Gerbrand Bakker, kwam van de schrijver zelf. ‘Het is een ezel. Niets meer, niets minder.’)

Het herbarium herbergt ook mooi anekdotes. Bij een toentertijd bewoond kasteel mocht het publiek fijn feodaal eenmaal in het jaar in de bossen rondom tamme kastanjes rapen. Lagere school Jan, was in alle vroegte over de hekken geklommen om iedereen voor te zijn, werd betrapt en moest van twee boswachters die hem onder schot hielden ten overstaan van de inmiddels toegestroomde mensen zijn tas over het hek legen. Het is bekend dat je sommige bloemen kunt eten, maar dat je ze ook uit kunt zuigen, is voor deze stadsjongen in elk geval nieuw. Siebelink blijkt geen ruiker te zijn, maar een zuiger. Wat dat betreft past hij goed bij uitgeverij De Bezige Bij. De lila petunia is zoeter dan de meidoorn, de gele primula veris smaakt naar anijs. Primula dat lijkt op een sleutelbloem. We verstuiven er nog even wat geloof overheen. In de volksmond heet het Sint-Pieterskruid, in het Duits Himmelschlüssel. Lees maar waarom.

De vader van Siebelink voelde zich een schepper van schoonheid en een dienaar in de wijngaard des Heren, maar evengoed zaaide hij in de oorlog tabaksplanten en deelde veelvuldig de gefermenteerde bladeren uit. Mooi is het verhaal bij de zonnebloem. De plek in het veld waar de vader zich soms terugtrok. De eerste sigaret van de jonge Jan bestond uit verdroogde bladeren van die planten. De bloemen van Jan Siebelink is een waardevol droogboeket, niet alleen interessant voor liefhebbers van het werk van de romanschrijver.