Beste fanatici van Amos Oz

De Israëlische wereldschrijver Amos Oz (1939) geldt al jaren als mogelijke winnaar van de Nobelprijs voor de Literatuur, maar net zo goed zou je hem vanwege zijn moedige, genuanceerde standpunten inzake bijvoorbeeld het Palestijns-Israëlische conflict kunnen kandideren voor de Nobelprijs voor de Vrede. Een nuance die hij deelt met zijn goede vriend David Grossman. Splitst de prijs op, voeg er nog twee Palestijnse schrijvers bij en klaar. Bij uitstek kunnen schrijvers en dichters het kleine maar o zo belangrijke verschil maken. De verbeelding bij mensen aanwakkeren. Het inlevingsvermogen stimuleren. Kwesties individualiseren. Beste fanatici, de essaybundel van Oz, is daar een wellevend voorbeeld van.

De bundel opent met een geactualiseerde terugblik op het essay Hoe genees je een fanaticus uit 2004, een beschouwend stuk over het fanatisme, over het ‘fanatiek gen’ dat, moet men toch toegeven, in meer of mindere mate in eenieder schuilt. (Denk aan rokers die gestopt zijn en fanatieke anti-rook magiërs zijn geworden. Of veganisten die het liefst vleeseters zouden verslinden. Milieuactivisten die de aarde met bomaanslagen ‘beschermen’, vernielende tegenstanders van de globalisering. Et cetera.) Het is een heldere uiteenzetting van een betrokken mens. Oz zegt in het voorwoord dat hij niet pretendeert een expert te zijn die ‘alle invalshoeken uitputtend beschrijft’. Alle drie essays zijn ongedwongen geschreven, met de twijfel van de creatieveling. Dat wil niet zeggen dat ze uit de losse pols zijn geschud. Ze zijn heel overdacht, maar de grote kracht schuilt in het feit dat ze geen claim leggen op het onderwerp. Juist het onpretentieuze, het idee beslist niet ‘het laatste woord’ te hebben geschreven, zorgt ervoor dat je nog aandachtiger leest. Oz mengt zijn gevoelens en laat zo – het boek is opgedragen aan zijn kleinkinderen, speciaal voor hen geschreven – een bijzonder menselijke kant zien.

Zo hekelt Oz de ‘western-achtige’ houding van de Israëlische regering ten opzichte van het Palestijnse volk. Alsof het een shoot-out is, tussen de sheriff en de boef. Zwart-wit denken, ook een kenmerk van fanatisme. De Palestijnen die zich trachten te bevrijden van de bezetting, worden op één hoop gegooid met fanatieke islamitische moordenaars wereldwijd. De retoriek zoals altijd als afleidingsmanoeuvre. Oz laat een scala aan fanatici zien, maakt maar weer eens duidelijk dat het geen ‘alleenrecht’ is van de geradicaliseerde moslim. Diepe maatschappelijke walging is vaak de voedingsbodem voor xenofobie en het daaruit voortvloeiende fanatisme. Oz noemt het ‘vergelijkend fanatisme’. Profeten aan beide uitersten van het spectrum, die elk voor zich de wijsheid in pacht, de reddende formule, menen te hebben. Blinde haat aan beide zijden van de barricades, maakt de tegenstanders paradoxaal genoeg eigenlijk eender.

Oz beschrijft hoe hij zelf in zijn jeugd, toen de Britten nog mandaathouders waren, een kleine fanatieke nationalistische zionist was. Ook hij had een slogan. (Het basismiddel van de fanaticus. Denk maar eens aan ‘Hamas Hamas, alle joden aan het gas’, dat ooit door de fanatieke aanhang van bijvoorbeeld Feijenoord werd gescandeerd in het Ajax-stadion.) ‘British go home’. De volledige Engelse woordenschat van Oz in die dagen. Dat is de humor die de fanaticus ontbeert. Zie voor het moment waarop de jonge Oz de nuance leert, het respect voor een individu, toevalligerwijs een Engelse militair, zijn roman Panter in de kelder.

Is het toenemende fanatisme soms ook te wijten aan de commercie, aan de infantilisering, aan het feit dat politiek en entertainment elkaar steeds meer overlappen. Oz wordt bij zijn uitleg in dat kader fijn ironisch. De fanaticus die bloed vergiet omdat hij of zij ‘de wereld à la minute willen redden’. Hij probeert door te dringen in de gedachtewereld van de fanaticus, zich een beeld te vormen van diens ideologische en emotionele drijfveer. Er valt maar zo weinig tegenover te stellen. Voor je het weet ben je een fanatieke anti-fanaat! Ha!

In Lichten, niet een licht geeft Oz zijn visie op ‘het joodse volk’ van wie zich de levenslijn bevindt in boeken, eerder dan op de slagvelden. De vele profeten die Israël kent. In elk van de joden schuilt een leermeester. ‘Misschien is het zelfs moeilijk om één jood of één jodin te vinden die het met zichzelf eens is over wat prioriteit heeft, hoe die principes te classificeren.’ En vooral wie eigenlijk geautoriseerd is die classificatie te maken. Meesterlijk ontrafelt Oz hier het spel van interpretatie en herinterpretatie van oude teksten, oude wetten, neemt de verhalenvertellers op de hak, en dus ook opnieuw zichzelf. De zelfspot maakt de essays ook literair aanstekelijk. ‘Eigenlijk lijken onze feestdagen erg op elkaar: De slechten probeerden ons allemaal te vermoorden, maar het is ze niet gelukt en daarom: kom, we gaan aan tafel en eten wat.’

Oz maakt maar weer eens duidelijk dat er niet zoiets bestaat als één joods volk, als dé jood, laat de pluriformiteit zien, die feitelijk de ziel van de cultuur vormt. Een gemeenschap als een koor van vele stemmen. Oz zelf is duidelijk seculier, maar maakt wel een punt door de schrijver Sjlomo Tsemach aan te halen, die zegt dat je God niet kunt verketteren, als God niet in je hart heeft. De moderne Hebreeuwse literatuur die doordesemd is van theologische noodkreten. Het heeft alles van doen met de zoektocht naar identiteit, met de problematiek van het afbakenen van standpunten. Wat is de joodse staat, wat is de ziel van het jodendom? De behoorlijk cynisch slotsom van Oz: ‘Wanneer er ooit een dag komt waarin we niet in levensnood verkeren, wat blijft er dan van onze identiteit over?’ Burgers hebben de voortdurende staat van paraatheid en de kortstondige periodes van oorlog al aanvaard als dagelijkse kost. De slachtofferrol die past. Oz pleit voor een verlossing, hoopt dat ooit de joodse mens geen slaaf meer is van de erfenis, zich die erfenis kan toe-eigenen in plaat van er onder gebukt te gaan.

In Dromen die Israël maar beter snel op kan geven bestudeert Oz de ‘levensvatbaarheid’ van de staat Israël. Moet het een binationale staat worden of een dictatuur van fanatieke joden? Velen beschouwen de status quo als een onoplosbaar fenomeen en – eufemisme is een adequate wasverzachter – denken dat ‘conflictmanagement’ het hoogst haalbare is. (Is een compromis ooit haalbaar, wil men van beide zijden wel water bij de wijn doen?) Oz heeft het over de vaak onduidelijke scheidslijn tussen recht en eis, in het kader van de Westelijke Jordaanoever bijvoorbeeld, waar orthodoxen het als een religieuze plicht zien om nederzettingen te bouwen. Fanatici heb je overal. Oz durft het uit te spreken. Hij houdt zijn hart vast voor de toekomst, maar is tegelijkertijd duidelijk. Hij houdt van Israël, ook al kan hij haar niet uitstaan. Dat is de dualiteit van de meester die diep in zijn eigen krochten afdaalt.

Beste Fanatici is vooral een pleidooi voor het individualisme, een oproep tot dialoog van een bierkaaivechter. Vergeefsheid is zijn deel, maar de schrijver kan niet anders, zal toch altijd trachten gehoord te worden door andersdenkenden, een poging willen wagen om tot nuance aan te zetten. Zonder ook maar een moment de profeet te willen spelen. Het is de vraag of je een fanaticus kunt genezen. De fanaticus is per definitie intolerant en daardoor in de contramine, agressief, kent eigenlijk geen mededogen. Humor en ironie zijn hem vreemd. Eigenlijk voelt hij, en laten we vooral de fanatieke dames niet vergeten, alleen minachting voor ‘de tegenstander’. Een bepaalde vorm van walging voor de vijand, die ongekend brute daden in hun ogen rechtvaardigt. De schrijver zet de verbeelding in om zich daar enigszins tegen te harnassen.

Oz geeft een mooi voorbeeld aan de hand van een anekdote van de Israëlische schrijver Sami Michael. Een taxichauffeur pleit voor uitroeiing van alle Arabieren. Hij is ervoor dat elke jood een paar Arabieren vermoord. Michael laat hem dat visualiseren. Hij vraagt hoe de taxichauffeur dat voor zich ziet. Ergens aanbellen, vragen of men Arabisch is en dan doden? En wat als je op de weg naar buiten een baby hoort huilen, ga je dan terug en vermoord je de baby? De taxichauffeur zwijgt een tijd om uiteindelijk tegen Michael te zeggen: ‘U bent een wreed man.’ Michael heeft het probleem inzichtelijk gemaakt. De verbeelding een paar tellen aan de macht.